Deze pagina is nog niet geoptimaliseerd voor weergave op kleinere schermen.
De Tuinen van Appeltern
Walstraat 2a, 6629 AD Appeltern
Nederlands grootste en mooiste tuinideeënpark

Nederlands grootste en mooiste tuinideeënpark

Wanneer moeten heesters gesnoeid worden?

Op ons recreatieterrein hebben we een "tuinvrouw". We willen de struiken gesnoeid hebben. Kan dit nu? We zien iedereen snoeien. Is er qua snoeien verschil tussen bomen en struiken die groen blijven in de winter en struiken die hun blad verliezen?

Het snoeitijdstip en de snoeiwijze zijn afhankelijk van de groei- en bloeiwijze van de heester. In de onderstaande tekst kunt u hier een kort overzicht van vinden.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.

Snoeien van heesters (algemeen)

Bladhoudende heesters

De meeste wintergroene heesters als glansmispel (Photinia), hulst (Ilex), laurierkers (Prunus laurocerasus en P. lusitanica), Mahonia, olijfwilg (Elaeagnus) en bladhoudende sneeuwbal (Viburnum) kunnen in het voorjaar gesnoeid worden, vanaf maart tot eind juni.

Bladverliezende heesters

Bij bladverliezende heesters en bomen wordt het snoeimoment bepaald door de manier waarop de planten zich verjongen en waarop ze bloeien: op nieuwe scheutenof op takken uit eerdere jaren.

Soorten die nauwelijks gesnoeid hoeven te worden zijn Acer japonicum en A. palmatum, krentenboompje (Amelanchier), Buddleja globosa, Clethra, Colutea, Cornus florida en C. kousa, Corylopsis, pruikenboom (Cotinus), dwergmispel (Cotoneaster), peperboompje (Daphne), Euonymus, Fothergilla, toverhazelaar (Hamamelis), Hibiscus, Magnolia, Potentilla, fluweelboom (Rhus), sering (Syringa) en sneeuwbal (Viburnum). Deze soorten ontwikkelen doorgaans uit zichzelf al een mooie vorm. Bovendien maken ze vaak moeizaam nieuwe grondscheuten, zodat ze zich lastiger lateren verjongen. Daardoor blijft het snoeien beperkt tot het wegnemen van dood, ziek of kruisend hout, en verkeerd groeiende takken. Dit snoeien gebeurt het beste in maart of begin april.

Een tweede groep wordt gevormd door de heesters die op de scheuten van het vorige jaar bloeien, of op het nieuwe schot. Dit zijn vooral soorten die in het voorjaar of de voorzomer bloeien: Buddleja alternifolia, bruidsbloem (Deutzia), Forsythia, Kerria, Kolkwitzia, boerenjasmijn (Philadelphus), Ribes, Spiraea en Weigelia. Na de bloei worden de (zij)takjes die gebloeid hebben weggeknipt. De hoofdtakken worden teruggesnoeid tot waar zich enkele sterke zijscheuten ontwikkeld hebben. Dit wordt ieder jaar herhaald. Wordt de struik te vol of te dicht dan kan 20 tot 25% van de hoofdtakken bij de basis weggehaald worden. Brem (Cytisus) verdraagt het minder goed om sterk teruggesnoeid te worden. Hierbij worden na de bloei de uitgebloeide scheuten tot op 1/3 teruggeknipt, tot net na een vertakking.
Bij Kerria worden ieder jaar na de bloei de bloeischeuten bij de basis weggesnoeid.
Ook de tuinhortensia (Hortensia macrophylla) hoort bij deze groep. Hierover is meer te lezen in de bijlage op www.mwiarda.nl/appeltern.htm.

De derde groep bestaat uit heesters die op de nieuwe scheuten bloeien. Dit zijn over het algemeen soorten die met sterke grondscheuten terugkomen. Soorten die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld Fuchsia, Leycesteria en Perovskia, die in maart of begin april bijna bij de grond afgeknipt kunnen worden, net boven een aantal sterke knoppen. Bij andere soorten zoals bladverliezende Amerikaanse sering (Ceanothus), pluimhortensia (Hydrangea paniculata) en spierstruik (Spiraea) wordt doorgaans iets voorzichtiger gesnoeid: in maart of begin april worden de bloeitakken van het vorige jaar tot de helft teruggesnoeid, net boven een buitenoog. De daarop volgende jaren worden de uitgebloeide zijtakken telkens teruggeknipt tot net boven de 1e of 2e knop vanaf de oude gesteltak. Wordt het takkenstelsel te dicht dan kunnen enkele gesteltakken bij de basis verwijderd worden.
De vlinderstruik (Buddleja davidii) hoort ook bij deze groep, maar wordt net even anders gesnoeid. Het eerste jaar na aanplant wordt in maart of begin april een gestel gevormd door de jonge takken tot de helft of ¾ van hun lengte in te korten, net boven enkele sterke knoppen. Het daarop volgende jaar worden, net als bij de andere heesters in deze groep, de uitgebloeide zijtakken telkens teruggeknipt tot net boven de 1e of 2e knop vanaf de oude gesteltak.

Ten slotte is er een groep heesters waarbij niet de bloei maar het blad of de jonge twijgen zeer decoratief zijn, zoals Cornus alba, C. sibirica, pruikenboom (Cotinus), Corylus maxima &#145Purpurea&#146, wilgensoorten en vlier met gekleurd blad. Om hier extra van te kunnen profiteren kunnen ze gesnoeid worden als de heesters in de derde groep. Het eerste jaar worden de takken in maart of begin april tot op de gewenste hoogte (net boven de grond, of wat hoger voor een knotboompjeseffect) teruggesnoeid tot net boven een paar sterke knoppen. Het daarop volgende jaar, weer in maart of begin april, worden de zijscheuten tot op enkele centimeters vanaf de oude hoofdtak ingekort, ook weer net boven enkele knoppen. Zo ontwikkelen zich ieder jaar nieuwe gekleurde zijscheuten.