Deze pagina is nog niet geoptimaliseerd voor weergave op kleinere schermen.
De Tuinen van Appeltern
Walstraat 2a, 6629 AD Appeltern
Nederlands grootste en mooiste tuinideeënpark

Nederlands grootste en mooiste tuinideeënpark

Vergunning nodig voor tuinophoging?

Op een aantal foto's van tuinvergrotingen zie ik een verhoging van een (groot) deel van de tuin, al dan niet in combinaties met houtconstructies. Ik vraag mij af of voor de inrichting van een tuin een bouwvergunning nodig is. Zoals u weet zijn groenvoorzieningen geheel vrij, maar tuinmeubilair zoals een pergola mag slechts tot maximaal twee meter hoog zonder vergunning worden gebouwd. Mag een tuin zonder vergunning worden verhoogd? En moet een inrichting van een tuin passen in het bestemmingsplan?

Het is een misverstand dat het aanbrengen van groenvoorzieningen geheel vrij is. Volgens het Burgerlijk Wetboek moeten bomen minimaal op 2 meter afstand, en hagen op 50 cm uit de grens van het naburige erf geplaatst worden. De lokale overheid (gemeente) kan hier eigen regels voor hanteren, die dan vastgelegd zijn in de Algemene Politieverordening.
Alle activiteiten die ondernomen worden moeten passen in het bestemmingsplan van de gemeente. Zo zijn via het bestemmingsplan ten aanzien van het begrip tuin vaak bepalingen opgenomen over het oppervlaktepercentage van de tuin dat bebouwd mag worden.

Navraag bij mijn eigen gemeente leert dat voor tuinophoging geen vergunning nodig is, tenzij de ophoging in strijd is met de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, of met de lokale verordeningen. Daarbij is het uitgangspunt dat u ten aanzien van de buren geen hinder mag veroorzaken in de vorm van wateroverlast of verandering van de (grond)waterstand. Ook mag door de ophoging geen schade ontstaan aan bezittingen van de buren, of gemeenschappelijk bezit. Hiermee moet voorkomen worden dat een boom of heg in de nabijheid van de erfgrens afsterft als gevolg van de werkzaamheden in de buurt van het wortelstelsel, of door een verandering in de grondwaterstand.
U kunt een en ander zelf nalezen in het Burgerlijk Wetboek, Boek 5, Titel 4, online te vinden via www.wetboek-online.nl/wet/BW5/s35959223.html.

Speciaal interessant zijn de volgende artikelen:

Artikel 38 Lagere erven moeten het water ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt.

Artikel 39 De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water of van het grondwater, dan wel door gebruik van water dat zich op zijn erf bevindt en in open gemeenschap staat met het water op eens anders erf.

Artikel 50 geeft nog enige richtlijnen ten aanzien van de privacy van de buren:
1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
2. De nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken, indien zijn erf een openbare weg of een openbaar water is, indien zich tussen de erven openbare wegen of openbare wateren bevinden of indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur. Uit dezen hoofde geoorloofde openingen of werken blijven geoorloofd, ook nadat de erven hun openbare bestemming hebben verloren of de muur is gesloopt.

Daarnaast kan er sprake zijn van het moedwillig berokkenen van schade aan eigendommen van de buren. In dat geval kan gekeken worden naar:
Boek 3, Titel 1, Afdeling 1, Artikel 13
1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.