Verzorging van de orchidee

Orchideeën kunnen bij een goede verzorging net zo lang leven als andere kamerplanten. Ze moeten inderdaad af en toe verpot worden. Meer over de verzorging van orchideeën kunt u lezen in de volgende tekst.

UNDEFINED

Orchideeën

Algemeen
Orchideeën komen vrijwel overal voor, en vormen zo de grootste plantenfamilie ter wereld. Ook in Nederland zijn enkele soorten inheems. Deze groeien gewoon in de aarde. De meeste orchideeën die hier als kamerplant verkocht worden zijn afkomstig uit de tropen en leven daar als epifyt. Epifyten groeien op een andere plant, zonder dat ze daaraan voedsel onttrekken. Bekende epifyten zijn (korst)mossen en algen, maar ook Bromelia’s en orchideeën. Deze laatste groeien vaak in vochtige holtes van bomen of rotsspleten waar zich plantaardig restmateriaal verzameld heeft. Veel tropische orchideeën hebben opvallende en mooi getekende bloemen.

Verzorging
De orchidee wortelt meestal niet in gewone potgrond, maar in zeer luchtig plantaardig restmateriaal. Voor gebruik binnenshuis is speciale orchideeëngrond te koop. Deze bestaat uit een mengsel van schorsdeeltjes, grovere turfdelen, kurk en soms zelfs piepschuim. De grond is daardoor heel luchtig. Deze grond moet matig vochtig gehouden worden, en mag vooral niet te nat zijn. ’s Winters, als de planten in rust zijn, hoeft er maar spaarzaam gegoten te worden. Als de schijnknollen of bladeren tijdens de rustperiode gaan rimpelen duidt dit op watergebrek, en moet iets meer gegoten worden.
Het gietwater is bij voorkeur lauwwarm en onthard, zonder chloor of fluor en bovendien zoutarm. Hiervoor kan regenwater gebruikt worden, of gedemineraliseerd water. Eventueel kan tijdens de groeiperiode bijgemest worden met beslist kalkvrije orchideeënmest in een lage dosering.
Orchideeën houden van een hoge luchtvochtigheid. Plaats ze daarom in de buurt van grootbladige planten (die veel water verdampen), of in de buurt van of midden in een watertuintje: een pot of schaal gevuld met grind of kleikorrels en water. Sproeien of nevelen wordt gewaardeerd, al kunnen bij sommige soorten de bloemen smetten wanneer er waterdruppels of vocht op komt. Ze staan het liefst op een lichte plek, uit de zon. Voor veel orchideeën ligt tijdens de groeiperiode de ideale temperatuur overdag tussen de 15 en 20 graden Celsius en ’s nachts tussen de 10 en 13 graden Celsius.
Na de bloei worden de bloeitakken weggeknipt en begint doorgaans een rustperiode van circa 8 tot 12 weken. Vooral de orchideeën met schijnknollen willen graag een koele en droge rustperiode voor de bloeitijd. Krijgen ze deze rustperiode niet, dan zullen ze ook niet bloeien. Omdat sommige soorten in de zomer bloeien, en andere juist in de herfst of wintermaanden, is het lastig om de rustperiode voor alle planten apart te beschrijven. Deze staat meestal aangegeven op het meegeleverde verzorgingsvoorschrift.
De gewenste temperaturen in de rustperiode zijn per soort wel ongeveer gelijk:

Cambria en Odentoglossum 16-18 graden Celsius
Coelogyne 14-16 graden Celsius
Cymbidium 7-12 graden Celsius
overige Dendrobiums 8-10 graden Celsius
Miltonia 12-15 graden Celsius
Paphiopedilum hirsutissimum en P. insigne 12-15 graden Celsius
Zygopetalum 12-15 graden Celsius

Sommige orchideeën verdragen ook tijdens de rustperiode een vrij hoge temperatuur, en kunnen gewoon in de woonkamer blijven staan. Brassia en Oncidium verlangen daarbij gedurende enkele weken zeer droge omstandigheden.
Dendrobium pierardii, Epidendrum, Phalaenopsis en Vanda hebben zelfs geen echte rustperiode nodig, al wordt er na de bloei wel tijdelijk minder gegoten. De meeste Paphiopedilums (venusschoentjes) kennen helemaal geen rustperiode, maar hebben wel zeer specifieke wensen ten aanzien van de (nacht)temperatuur: ’s winters hoger dan 18 graden Celsius, ’s zomers hoger dan 25 graden Celsius.
Na de rustperiode, aan het begin van het groeiseizoen, kunnen de orchideeën verpot worden. Dode en rottende worteldelen worden weggesneden en ze worden in een wat grotere pot gezet. Op de bodem wordt een laag scherven aangebracht voor een goede drainage, waarna de pot aangevuld wordt met orchideeëngrond.

Vermeerdering
Orchideeën die te groot zijn geworden, kunnen worden gedeeld. De delen kunnen vervolgens apart opgepot worden. Vermeerdering uit zaad is doorgaans werk voor specialisten.

Ziekten en plagen
Orchideeën zijn tamelijk vatbaar voor een aantal zeer specifieke bacterie-en virusaantastingen. In veel gevallen uiten die zich in vreemde vlekken in het blad (bruin of doorschijnend) en rotting van wortels of bladstelen terwijl de plant niet te nat heeft gestaan. Vaak zijn de aantastingen al vanaf de kwekerij aanwezig in de plant, en slecht te bestrijden. Ze zijn vaak op zichzelf niet fataal, maar verzwakken de plant wel, die daardoor ook vatbaarder wordt voor insectenbezoek en schimmelinfecties. Is de verzorging daarbij dan niet helemaal optimaal (wat meestal in de vensterbank het geval is), dan betekent het toch het begin van het einde van de plant. De plant vervangen is dan vaak de enige remedie.
Bruine bladpunten kunnen wijzen op gebrek aan spore-elementen of een te hoog zoutgehalte van de grond. Voortijdige bladval tijdens de rustperiode heeft vaak te maken met een te hoge temperatuur in de rustperiode. Overigens is het normaal dat de plant af en toe een oud blad afstoot, zeker wanneer hij verder goed groeit.
Naast de specifieke kwalen kunnen orchideeën last krijgen van gewone aantastingen. Berucht is spint. Spintmijten slaan hun slag wanneer de luchtvochtigheid te laag is. Zelf kunnen de mijten niet goed tegen vocht. De plant kan om te beginnen goed afgenomen worden met water, of met een mengsel van 200 gram groene zeep en 1/3 liter spiritus op 10 liter water. Dit huismiddeltje werkt ook tegen beginnende aantastingen van schild-, dop- en wolluis. De luchtvochtigheid rond de plant kan flink verhoogd worden. Is de aantasting te hardnekkig, dan zijn bij tuincentra en de plantenspeciaalzaak chemische middelen tegen deze aantastingen verkrijgbaar.

Er groeien dit jaar ineens orchideeën in mijn tuin. Hoe kan dat?

U gelooft het misschien niet, maar die orchideeën komen letterlijk uit de lucht vallen.
Orchideeën zijn als grote plantengroep namelijk zo succesvol omdat ze stoffijne zaden produceren die zelfs in de lucht kunnen zweven. Kilometers ver en hoog en heel lang. Bovendien kan één enkele plant miljoenen zaadjes produceren. Er gaan tienduizenden zaadjes in één gram. Bij deze planten heeft de natuur dus duidelijk gekozen voor een gigantische spreiding. Daar staat wel iets tegenover: van die zaadjes gaat natuurlijk een groot deel verloren, maar dat is geen probleem. Lastiger is het dat elk zaadje pas kan kiemen als het op of vlak bij een zeer bepaalde, per zaadsoort verschillende schimmelsoort landt. De zaadjes leven eerst namelijk als parasiet. Ze halen het voedsel dat ze nodig hebben eerst uit die schimmel. Als die er niet is, als ze daar geen contact mee kunnen maken, gaat het feest niet door. Zo’n zaadje sterft dan meteen af en blijft niet soms duizenden jaren in een soort slaaptoestand leven, zoals bijvoorbeeld sporen van sommige varens kunnen. Veel orchideesoorten kunnen zelfstandig – ook zonder direct voordeel van de schimmel – verder als de kiem eenmaal is uitgegroeid. Maar dat geldt niet voor allemaal. Sommige orchideesoorten blijven hun hele leven lang aan zo’n schimmel gebonden. Er is dus in uw tuin een onverwacht succesvol wonder gebeurd, want de benodigde symbiose is niet te organiseren.

UNDEFINED