Onderhoudsvriendelijke beplanting

Dit lijkt een eenvoudig onderwerp, maar het is nog behoorlijk lastig om er iets zinnigs over te melden en ook nog toekomstgerichte beplantingsadviezen te geven.

UNDEFINED

In het eerdere artikel ´Kan beplanting onderhoudsvriendelijk zijn?’ in deze rubriek werd al in het algemeen op dit onderwerp ingegaan. Met dit artikel graven we wat dieper. Want wat is onderhoudsvriendelijk en wat is onderhoudsvriendelijke beplanting in een tijd waarin het klimaat drastisch verandert, de weersystemen zich verplaatsen, de temperaturen gemiddeld stijgen en we anders met water moeten leren omgaan. Ook in de tuin. Dan moeten de adviezen mee veranderen. Het is niet zo moeilijk om beplantingsrecepten uit het verleden te geven op basis van argumenten zoals ‘Geen tijd voor de tuin’, ‘Geen zin in tuinwerk’, ‘Geen groene vingers’. Zulke gemaksrecepten bestaan allang en in veelvoud, inclusief de raad om bijvoorbeeld maar kunstgras te nemen, want dat bespaart een hoop werk (luidt de suggestie). Een deel van die adviezen zal nog wel een tijd bruikbaar blijven, maar het verloop van de omstandigheden in een tuin in de openlucht en door het jaar heen is niet meer zo zeker en kalendervast als deze vele tientallen tot zelfs honderden jaren is geweest. En we hebben geen zekerheid over hoe ze zich verder zullen ontwikkelen. Nu wordt het inderdaad nog steeds warmer – ook ’s winters – maar weerkundigen houden ook rekening met de mogelijkheid dat onze winters vrij plotseling weer een stuk strenger kunnen gaan worden. Dat zou massale sterfte onder (tuin)planten veroorzaken. Vooral doordat juist nu de tendens heerst om steeds ‘zachtere’ soorten in onze tuinen toe te passen, want we hebben nu immers al het klimaat zoals dat een halve eeuw geleden veel zuidelijker gold (vergelijkbaar met het klimaat dat toen ter hoogte van de Loire in Midden-Frankrijk heerste).


Een onderhoudsvriendelijke tuin is steeds vaker ook een duurzame, groene tuin.
Met oog voor de natuur inclusief dierenleven.
Gezond voor uzelf, voor uw kinderen, voor het microklimaat bij uw woning.
Toekomstgericht.

Onderhoudsvriendelijke beplanting

De publieksinformatie over tuinen is vaak tot luxe-informatie verworden

In veel gevallen worden onze vaak postzegelgrote tuinen uitsluitend als leef- of (sterker nog) ‘wellness’ruimte benaderd. Daar is op zich niets mis mee, maar het betekent wel dat de gemiddelde kijk op tuinen ook steeds meer op gemak, design, gezelligheid, ontspanning en representatie is gericht. Planten maken daar dikwijls alleen nog maar deel van uit als versterkers van het gewenste effect. Een echt gerichte belangstelling voor planten als levende mede-wezens in wat we een tuin noemen, is soms ver te zoeken. Planten zijn in veel gevallen en in de ogen van velen ‘wegwerpdingen’ uit massaproductie waar je niet al veel over hoeft te weten. Ze zijn mooi of niet, lastig of makkelijk, en als ze niet mooi meer zijn of lastig worden, gooi je ze weg zoals je het leeggegeten plastic bordje weggooit waarop je je bbq-hap had deponeerd. (Ook dat plasticgebruik gaat trouwens veranderen in verband met nieuwe wetgeving.) Het is opvallend hoe sterk tuinprogramma’s op tv ook kookprogramma’s zijn geworden. Dat zegt iets. Zo zijn de ontwikkelingen.

Op grond van die veranderende kijk op tuinen en tuinplanten wordt de in boeken, tijdschriften, op internet en op etiketten over planten verstrekte informatie ook steeds vaker tot een minimum gereduceerd. Dan lijkt het alsof de aanbevolen planten het bijna overal altijd goed zullen doen. Maar zo is het niet, zo was het niet en zo wordt het ook niet. Als er al suggesties worden gedaan over combinaties met andere planten, dat slaat dat heel vaak op borderachtige samenstellingen, waarbij met name de bloeikleuren en maten van planten bepalend zijn. Het gaat niet over hoe het geheel functioneert, maar bijna uitsluitend over het effect en dat moet dan liefst ook nog zo gelijkblijvend mogelijk zijn.

In die zin is het niet vreemd dat de informatie die bij een plant wordt gegeven, bijna altijd alleen over die ene plant gaat, terwijl we zouden moeten weten – en daar ook op zouden moeten worden gewezen – dat een goed functionerende, onderhoudsarme tuin veel meer is dan een verzameling losse planten. Als het niet meer is dan dat, kan een tuinbeplanting niet goed functioneren en kan deze nauwelijks onderhoudsvriendelijk zijn!

Een paar kreten:

  • Minder stenen, meer planten, gezonde grond.
  • Laat de natuur het werk doen.
  • Minder tuinwerk is meer tijd om er echt naar te kijken en het fijn te hebben.
  • Meer groen dempt de temperatuurstijging, vangt wateroverlast beter op.
Onderhoudsvriendelijke beplanting

Een goede tuin is een prachtig systeem en een geweldig, uiterst interessant proces

Een tuin en de beplanting daarvan vormen een gecompliceerde eenheid, al lijkt dat misschien niet zo. In het bovengenoemde eerdere artikel is daarop al even ingegaan. De natuur functioneert (ook in een tuin) in een gelaagde opbouw. Het begint met een soms nog levenloze bodem waarin zich miljarden levende wezentjes vestigen: microben, schimmels, enz. Er ontstaan ook heel bijzondere stoffen: onder andere enzymen en andere eiwitten. Op de bodem vestigen zich vele duizenden soorten wieren, mossen en korstmossen die in hun groene delen organische bouwstoffen produceren en zuren en andere stoffen aan de bodem afgeven. Ook verschijnen daartussen en daarboven de eerste, kruidachtige (niet-verhoutende) grotere planten, waaronder pionierplanten, zoals de teunisbloemen, en daarmee meldt zich ook het insectenleven dat een grote rol speelt bij de voortplanting van alle zaadplanten. Daarna vestigen zich meerjarige vaste planten, heesters, bomen en klimplanten. En dat alles werkt samen, wisselt stoffen uit, communiceert met elkaar, zorgt voor een evenwichtige verdeling van licht en schaduw, vocht en nivellering van de temperatuurontwikkeling in het geheel. Op zo’n wereldje komen behalve insecten, slakken enz. ook alle mogelijke andere diersoorten af. Kleine zoogdieren, amfibieën, vogels, als er water is: vissen enz. Willen we de begroeiing in een tuin goed laten functioneren, dan zal dat ook zo moeten om er een succes van te maken. Planten, dieren, bodemleven, materiële dingen en omstandigheden reageren in zo’n systeem voortdurend op elkaar. Het is een levend proces met levende planten en dieren, omzetting van licht in stof, en stof in leven, eindeloze reeksen chemische en procesmatige reacties, bedoeld om zichzelf in stand te houden en verder te ontwikkelen. Evolutie. Ook in een tuin die wij in elkaar zetten ontstaat dat als we het goed doen. Ook al begrijpen we er maar een fractie van. Een onderhoudsvriendelijke tuin regelt zich zelf met een minimum aan ingrepen. Heb vertrouwen in dat systeem. Wat mensen doen is vaak slechts een sterk versimpelde, primitieve vorm van wat de natuur doet. De natuur is oneindig veelzijdiger dan wat wij kunnen bedenken. Dus waarom zouden we daar tegenin gaan. Waarom zouden we bijvoorbeeld gaan spitten om de bodem te ‘verbeteren’ als de natuur dat zelf al wil doen? Waarom zouden we iedere dag gaan sproeien als een evenwichtige, gelaagde beplantingsopbouw zelf al veel langer voldoende vocht vasthoudt?


Uw tuin is een verlengstuk van uzelf.
Van hoe u denkt en leeft.

Onderhoudsvriendelijke beplanting

Wat voor tuin wilt u?

Oké, onderhoudsvriendelijk. Er wordt vaak gesuggereerd dat dat op heel veel manieren kan, maar dat valt tegen. Er zijn tientallen soorten tuininrichting mogelijk. Tuinstijlen dus. Die zijn lang niet allemaal onderhoudsvriendelijk. Laten we het even bij die tuinstijlen houden. Heel veel daarvan stammen uit tuinopvattingen uit voorbije eeuwen. Dat waren de tuinopvattingen van de rijken, waarbij werk er vaak niet toe deed. Personeel genoeg. ‘Gewone mensen’ konden zich geen tuin permitteren. Bij veel van die tuinstijlen gaat het vaak vooral over vormen: strak klassiek, landschappelijk, Aziatisch. Ook over gebruiksdoelen: de siertuin, de tuin om te imponeren, de gevoels- of sfeertuin, de rotstuin, watertuin, nutstuin (waar ook de cottagetuin onder valt) enz. enz. Planten zijn in veel gevallen alleen maar aankleding. Dat dat levende wezens zijn is bijzaak. Soms zelfs lastig en eigenzinnig. Dan dwingen we ze in vormen die wij graag zien: bollen, blokken, vormbomen, hagen (eventueel op poten), een gazon als een biljartlaken; kortom, heel veel snoeivormen of topiari, vlechtwerk, leivormen enz. Dat geeft enorm veel werk, want het is tegennatuurlijk voor de planten. Die verzetten zich uiteraard, want ze hebben hun eigen blauwdruk van hoe ze eruit willen zien. Niet bepaald onderhouds- of plantvriendelijk.

Die vormdwang valt ook te constateren uit de grote aandacht die wordt besteed aan de ‘harde materialen’ die in veel tuintypen worden toegepast (en de manier waarop ze worden toegepast). In veel gevallen vragen die veel grotere investeringen dan de ‘levende have’ die het er ook nog tussen moet gaan doen. De beplanting wordt dan aangepast aan vorm en doel (en het beschikbare budget). Dat hoeft overigens niet altijd verkeerd te zijn. De beroemde plantendeskundige Horst Koehler introduceerde indertijd royale, strak vormgegeven ‘plantenbedden’ waarin een weelde aan planten mocht groeien en ook de befaamde landschapsarchitect Piet Oudolf maakt prachtige plantencomposities binnen vaste, strakke vormen. Zo lang zulke plantengemeenschappen zichzelf kunnen zijn en zo veel mogelijk zichzelf in stand houden, kan dat best heel onderhoudsvriendelijk zijn.

Er is ook een tuinvorm die wel voornamelijk op de planten is gericht en zijn oorsprong vooral vindt in het Europa van de 17e eeuw: dat is de tuin van de plantenverzamelaar. Daar worden prachtige soorten (liefst exoten) bij elkaar gebracht. Vaak bestaat zo’n tuin uit een bonte verzameling solitaire planten. In het groot is een arboretum zo’n soort tuin.

En dan is er ook nog een derde (Europese) vorm: de tuin die op praktijkideeën uit de tuinbouw is gebaseerd. Zo’n tuin is onmiddellijk herkenbaar – je ziet ze nog vaak – aan het feit dat de planten allemaal apart staan met open, onbegroeide grond eromheen. Een polletje-polletjetuin noemen we dat. Dat fenomeen stamt uit de tijd dat pesticiden nog niet in zwang waren en telers bang waren voor alle mogelijke soorten aantasters. Planten en dieren die zouden kunnen aantasten werd het leven zo veel mogelijk onmogelijk gemaakt. Dus rond de planten die wel gewenst waren, werd alleen volledig kale grond getolereerd. Geen sprietje ‘onkruid’ mocht er groeien. Gevolg: heel veel werk om dat zo te houden. Over deze manier van tuinieren zijn handboeken vol geschreven. Het is het overheersende type tuin uit de 19e en 20e eeuw. Een dergelijke tuin is vaak een combinatie van de genoemde tuinvormen. Heel bewerkelijk, want onkruid wordt nooit moe. Hetzelfde geldt voor mosgroei. Dat wordt ook nauwelijks getolereerd, terwijl de duizenden soorten mossen (en korstmossen) prachtige, fascinerende planten zijn. Maar hoeveel tuinliefhebbers hebben een goede mossengids in huis? Japanners hebben dat wel. Die vinden mossen geweldig! Maar we zullen het hier niet over Aziatische tuinvormen hebben, want daarbij komen heel andere aspecten om de hoek kijken, onder andere de invloed en het manipuleren van natuurlijke energieën.

Een prachtige manier om onderhoudsvriendelijk te tuinieren is de perma-cultuurmethode.
Daarbij wordt de grond zo veel mogelijk met rust gelaten en zijn meerjarige, vaak verhoutende planten ver in de meerderheid. Die planten mogen dan ook volgens hun natuurlijke vormen uitgroeien. De perma-cultuur wordt veel toegepast bij de voedselproductie (groenten en vruchten) zonder pesticiden en meststoffen.

Onderhoudsvriendelijke beplanting

Nogmaals: u wilt een onderhoudsarme tuin

In het eerder genoemde artikel werden al de nodige praktische zaken aangehaald. Hier noemen we nog even enkele punten. Vaak wordt gedacht dat compleet betegelen van een perceel het makkelijkst is qua onderhoud. Het is waar dat tegels handiger zijn dan klinkertjes, cobblestones enz., Maar ook tegels vragen onderhoud en als u tegels kiest die vocht uit de ondergrond opzuigen, kan uw ‘tuin’ behoorlijk glad worden, want zulke tegels bealgen snel. En regenwater kan door zo’n vrij gesloten oppervlak moeilijk wegzakken. Daar zijn dan weer andere oplossingen voor nodig, zeker nu de regenbuien die we meemaken, heviger worden. Een ‘tuin’ met alleen maar tegels heeft bovendien geen sfeer. Daar voelt niemand zich lekker. Er moet levende beplanting bij. Al is het maar iets. Dat is iets dat we van de Japanners kunnen leren in situaties waar heel weinig ruimte is. Japanners hebben altijd groen om zich heen. In het zelfde artikel wordt ook al wat dieper ingegaan op de verschillende beplantingsgroepen waarmee tuinbeplantingen worden gecomponeerd.

Onderhoudsvriendelijke beplanting

Ga uit van planten die passen bij de grondsoort in uw tuin passen

In het tuinvak bestaat de neiging om het de consument makkelijk te willen maken. Dus wordt alles versimpeld tot vrij algemeen geldende lijstjes van planten ‘die het altijd en overal doen’. Zelfs worden succesvolle borderbeplantingen, compleet met beplantingsschema en de benodigde planten, aangeboden. Of u op klei gaat tuinieren, op zandgrond of veen, maakt volgens de aanbieders niet uit. Er wordt wel vaak aangeraden om voordat u gaat inplanten uw grond te ‘verbeteren’ door er een dikke laag compost of zwarte tuinaarde doorheen te mengen. Dat is natuurlijk commercieel gezien heel handig, maar u gaat dan tuinieren in een ‘bak grond’ die sterk afwijkt van de natuurlijke omgeving en ondergrond. Die ‘verbetering’ stelt ook niet veel voor en kan soms vrij snel uitspoelen naar de ondergrond. Alleen een natuurlijk ontstane teellaag met een rijk bodemleven en heel veel humus bereikt een soort evenwichtig stadium dat blijft. Humus is een heel bijzondere stof die langzaam ontstaat als effect van een rijk bodemleven. Humus houdt water vast en bindt mineralen, zodat de grond minder snel uitdroogt en de plantenwortels altijd vocht en voedsel vinden. Humussoorten die in diverse grondsoorten ontstaan, lijken verrassend sterk op elkaar. Compost en tuinaarde zijn geen humus. Er zijn stoffen die de vorming van een gezonde bodem en daarmee van gezond groeiende planten stimuleren. Heel interessant is bijvoorbeeld de EM-technologie die met bepaalde samenstellingen van micro-organismen werkt. Deze technologie wordt steeds meer gebruikt om groenten en fruit (onder andere aardbeien) ook op grote schaal pesticidenvrij te telen.

U wordt op zoek naar een onderhoudsarme beplanting ongetwijfeld geconfronteerd met zeer algemene plantenlijstjes zoals:

  • Struiken/heesters: Vlinderstruik, Hibiscus, struikklimop, hortensia en sering.
  • Vaste planten: Lavendel, stokroos, kogeldistel, Heuchera, leverkruid, aster, Helleborus, Brunnera, allerlei siergrassen (o.a. Luzula), niet-woekerende bamboe (Fargesia), rotsplanten (Sedum en dergelijke), varens.
  • Bodembedekkers: Tuingeranium, Euonymus, Pachysandra, mansoor, kruipende Campanula-soorten, vrouwenmantel, lievevrouwenbedstro, Vinca (de kleine: V. minor).
  • Klimplanten: Klimop, klimhortensia, braam.
  • Bolgewassen: Krokussen, sneeuwklokjes en ander soorten die mogen verwilderen.

Eigenlijk zou u dus uit moeten gaan van planten die geschikt zijn voor de natuurlijke bodemsituatie in uw tuin. Dat was enkele tientallen jaren geleden heel gebruikelijk, maar is door de massificatie van de teelt een beetje vergeten. De plantenkeuze kan dan grote verschillen opleveren met de planten zoals die in het bovenstaande lijstje en soortgelijke lijstjes staan. Het is dan ook onmogelijk om de top-10 van onderhoudsarme tuinplanten te noemen, omdat die keuze sterk afhankelijk is van de grond waarin ze moeten groeien. Het is veel beter om eerst naar uw grond te kijken en te bepalen wat voor grond het is, vervolgens in de omgeving van uw tuin te kijken welke planten het er goed doen – dat kan heel prettige wandelingen en contacten opleveren – en daarna een kweker of leverancier te zoeken die gespecialiseerd is in de juiste planten voor uw type tuingrond. Zulke kwekers bestaan. Adressen kunt u ‘bekomen’ bij en via De Tuinen van Appeltern (appeltern.nl of dutchqualitygardens.nl).


Leer uw planten kennen zoals u mensen en dieren leert kennen.
Planten laten op tal van manieren zien hoe het met ze gaat.
Ze vertellen voortdurend heel veel over de conditie van een tuin.
Neem altijd de tijd om goed naar uw planten te kijken.
Dan wordt u ook steeds meer ‘eigen’ met uw tuin.

Onderhoudsvriendelijke beplanting

Probeer te begrijpen wat planten willen

Als u echt een verantwoorde onderhoudsarme tuin wilt creëren, zult u vooral naar het geheel moeten kijken. Planten zijn geen op zichzelf staande levende wezens, ze kunnen (bijna) altijd alleen maar leven en overleven in samenhang met andere planten (en nog veel meer levende wezens zoals het bodemleven). Ze kunnen niet zonder elkaar. Denkt u alleen maar aan de bestuiving door insecten of de wind (zelfs via water) die zaadplanten nodig hebben om überhaupt vruchten en zaden te kunnen vormen. Bij alle wilde zaadplanten is dat in een of andere vorm het geval.

Dat verandert als de mens zich daarmee gaat bemoeien en niet meer tevreden is met hoe de natuur de dingen heeft vormgegeven: die bloem is leuk, maar kan wel wat groter, of we willen hem met het driedubbele aantal (of nog veel meer) bloemblaadjes zien; dat blad of die bloem mag best een andere kleur hebben; van planten die groot worden, maken we dwergvormen of we dwingen ze in een bepaalde vorm enz. Iets wat in de natuur vanzelf gaat en wordt doorgegeven aan het nageslacht, wordt dan werk. Want die planten willen niet uit zichzelf veranderen. Ze worden gedwongen iets anders te zijn dan hun DNA aangeeft. Dus verliezen ze hun mogelijkheid tot zaadproductie, of – als hun bloemen nog wel vruchtbaar zijn – geeft het zaad nakomelingen die sterk op de wilde vorm lijken en dat willen we dan weer niet. Wat doen we dus: we gaan die onnatuurlijke (maar door ons mooier gevonden) planten vegetatief vermeerderen om de gewenste eigenschappen te handhaven. Dat betekent dat planten worden gestekt, geënt, gescheurd (het laatste bij vaste planten) of we nemen cellen van moederplanten en laten daaruit (in vitro) in reageerbuisjes nieuwe exemplaren opgroeien. Er zijn heel ingewikkelde vermeerderingsmethoden (bijvoorbeeld bij de productie van F1-hybriden) die grote aantallen, bijna exact gelijke planten moeten opleveren. Allemaal werk, voorafgaand aan uw werk in de tuin!

De nieuwste methode om levende wezens (dus ook planten) te veranderen, is de zogenaamde ‘Crispr Cas’-techniek waarbij stukjes DNA worden vervangen. Daarbij ontstaan dus wel planten die echt in hun blauwdruk veranderen. Wat overigens nog niet wil zeggen dat zo’n erfelijke verandering ook zonder verdere consequenties aan het nageslacht wordt doorgegeven.

Het begin van veel tuinplanten is dus al niet bepaald onderhoudsarm. Daar komt nog iets bij: als wij iets aan planten ‘verbeteren’ gaat dat vaak ten koste van andere eigenschappen. Vroeger geurde iedere roos. Toen het lukte om veel rozen zo aan te passen dat ze veel minder ziektegevoelig waren, bleek die geur vaak geslachtofferd te zijn. De planten werden heel gezond, maar hun bloemen geurden niet of nauwelijks meer. Iets soortgelijks gebeurde bij Freesia’s, muurbloemen (Erysimum) enz. Zo zijn er talloze voorbeelden van de effecten van menselijk ‘verbeterwerk’ aan planten. Als we iets ‘verbeteren’, verslechteren we vaak iets anders. Als de natuur dat zelf doet en planten met een verandering in het DNA voorbrengt – wat ook gebeurt – zijn dergelijke mutaties óf levenskrachtig of ze verdwijnen weer. Ook de natuur verandert voortdurend, maar in een veel lager tempo dan wat wij doen en altijd gericht op maximaal goed overleven. Wat niet voldoet, verdwijnt. Dat is de basis van evolutie in de natuur.

Onderhoudsvriendelijke beplanting

Terug naar het begin: een onderhoudsarme tuin is ook duurzaam en toekomstgericht

Het is al genoemd: we weten niet hoe de klimaatverandering zal uitwerken op de beplanting van onze West-Europese tuinen. We zullen steeds vaker worden geconfronteerd met zwaar weer: hevige stormen, enorme regenbuien, langere droge periodes en grotere hitte, wateroverlast en watertekorten. Mogelijk ook plotseling strengere winters. De zeewaterspiegel stijgt. Hemelwater zal steeds minder via de riolering en oppervlaktewateren naar zee worden afgevoerd, maar zal zo veel mogelijk waar het valt door de bodem moeten worden opgenomen. Dus vooral ook in groene gebieden tussen bebouwing, zoals tuinen. Dat heeft grote consequenties voor de inrichting en begroeiing van onze tuinen. Onze tuinen zullen meer groene (niet-bestrate) ruimte moeten bevatten. De oude regel 1/3 steen, 2/3 groen geldt nog steeds en is nu zelfs uiterst actueel. Misschien zelfs meer dan ooit, want nu ook vanwege de waterberging in de bodem.

Wanneer we om ons heen kijken en zien welke soorten begroeiing zeer goed op dergelijke extremen zijn voorbereid, vallen twee plantensystemen (leefgemeenschappen van planten) sterk op:

  1. De natuurlijke begroeiing in centraal Oost-Europa, midden-Rusland en het Oeral-gebied
  2. De natuurlijke vegetatie van de prairies in Noord-Amerika

Beide gebieden staan afwisselend bloot aan langere perioden van grote hitte en droogte – afgewisseld met wolkbreuken – en ’s winters felle kou. De inheemse planten uit die gebieden kunnen zonder meer model staan voor de onderhoudsvriendelijke tuinbeplanting van de toekomst. Een toekomst die al is begonnen.

Over prairietuinen is al vrij veel informatie beschikbaar. Daarvan bestaan schitterende voorbeelden. Maar welke plantensoorten daarin de absolute toppers zijn, staat nog volledig ter discussie. Er wordt nog uitgebreid mee geëxperimenteerd. Over een lijst van gecultiveerde (sier)gewassen uit centraal Oost-Europa valt nog minder te zeggen.