Hoe snoei ik een perenboom?

Het snoeien van een perenboom gebeurt op vrijwel dezelfde wijze als bij de appelboom, en heeft twee doelen.

UNDEFINED

Peer
Onze perenbomen stammen waarschijnlijk net als de appelbomen uit Centraal-Azië of de Kaukasus. De perenbomen komen vooral voor op het noordelijk halfrond. De in Nederland en België om hun vruchtdracht geteelde perenbomen stammen allemaal af van de gewone perenboom, Pyrus communis.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen handperen en stoofperen. De meeste perenrassen hebben een bestuiver nodig om tot vruchtzetting te komen, andere zijn zelfbestuivend. Bestuiving vindt plaats door insecten. Zelfbestuivers geven grotere vruchten wanneer er een bestuiver in de buurt staat. Bij vroegbloeiende rassen kan de bloesem soms schade oplopen bij late nachtvorst. Wordt er zware nachtvorst voorspeld terwijl de boom in bloei staat dan wil het vernevelen van water, zodat een kunstmatige mist ontstaat, nog wel eens helpen om schade te voorkomen.

Peren worden meestal geënt op een onderstam. Het soort onderstam dat voor de boom is gebruikt, is voor een belangrijk deel bepalend voor de grootte die de boom of struik zal bereiken.

Verzorging

Peren groeien graag op voedzame, diep doorlatende grond, die iets aan de zure kant of neutraal is. Daarnaast waarderen ze een zonnige, beschutte standplaats, waar de grondwaterstand niet te hoog is. Als de bomen zonnig staan zijn ze minder vatbaar voor schimmelinfecties, en krijgen de vruchten een hoger suikergehalte. Peren kunnen aangeplant worden tussen november en eind februari, zolang het niet vriest.

Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en diverse leivormen, die doorgaans geënt zijn op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 15 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt.

Voor vrij uitgroeiende hoogstambomen wordt een plantafstand aangehouden van 8 tot 10 m. Bij halfstambomen is 5 tot 6 m voldoende, terwijl laagstambomen op 2 m afstand van elkaar gezet kunnen worden, of zelfs minder. Bij leivormen is de gewenste vorm bepalend voor de plantafstand (snoer, palmet, piramide enz.). Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.
Peer snoeien

Snoeien

Het snoeien van een perenboom gebeurt op vrijwel dezelfde wijze als bij de appelboom, en heeft twee doelen. Ten eerste is het de bedoeling om een evenwichtige kroon (of leivorm) te ontwikkelen, met niet te veel gesteltakken. Ten tweede zal de boom, om er vruchten van te krijgen, vruchtlot of spoortjes moeten gaan vormen. Perenbomen zijn pas laat vruchtbaar, het kan wel 6 tot 8 jaar duren voordat de eerste peren geoogst kunnen worden.

Snoeien gebeurt tussen begin december en eind februari, wanneer de groei stil staat, en wanneer het niet harder vriest dan -5 graden Celsius. Het eerste jaar worden de gesteltakken gevormd, in totaal circa 4 of 5 stuks. Aan het eind van het tweede jaar kunnen nog 3 tot 4 gesteltakken behouden worden, zodat het totale gestel nu uit 8 takken bestaat. De gesteltakken worden het tweede jaar op een lengte van circa 50 cm net boven een omlaag gericht buitenoog gesnoeid. De overige scheuten worden (indien nodig) weggeknipt, of ingekort tot 4 knoppen. Het doel hiervan is om een onder een hoek van 45 graden een van de boom afstaand takkenstelsel te krijgen, waarbij de gesteltakken zich in etappes verlengen. Door de geleidelijke verlenging ontstaan zijtakjes, waarop zich later het vruchtlot zal gaan vormen. Het derde jaar worden de verlengende delen van de gesteltakken in de winter weer teruggeknipt op 25 cm lengte, waarbij gesnoeid wordt op een buitenoog dat tegenovergesteld staat aan de snoeirichting van de vorige snoeibeurt. Zo ontstaat een zigzag-patroon van verlengingen dat op den duur weer een bijna rechte, maar wat horizontaal afstaande gesteltak oplevert. De zijtakjes die zich op de gesteltakken gevormd hebben worden in de tweede helft van juli ingekort tot 3 bladeren, of een lengte van ongeveer 10 cm.

De daarop volgende jaren herhaalt dit patroon zich. In de winter wordt telkens eerst dood, kruisend en ziek hout weggehaald. Alle vertikaal omhoog groeiende zijtakjes worden helemaal verwijderd: op meer horizontaal groeiende takken ontwikkelt zich meer vruchtlot. Ook zijtakken die naar de spil toegroeien worden weggehaald, net als sprieterig doorgeschoten jong schot met weinig knoppen.
De verlengingen van de gesteltakken worden weer ingekort tot 25 cm op een tegenoverliggend, liefst omlaag gericht oog. Hebben de gesteltakken hun uiteindelijke lengte bereikt dan wordt de nieuwe aanwas telkens helemaal weggehaald. In de zomer worden zijtakken en secundaire zijtakken telkens tot 3 bladeren of 10 cm teruggeknipt. Hierop ontwikkelen zich in de loop der jaren de bloemdragende spoortjes. Wanneer deze te dicht op elkaar staan moeten de spoortjes in de winter gedund worden. Circa 6 weken na de bloei zal de boom zelf een deel van de overtollige vruchten afstoten. De overblijvende vruchten moeten zo uitgedund worden dat ze op een onderlinge afstand van 15 tot 20 cm uiteen hangen.

Voor het opkweken als spil, piramide of palmet wordt na het planten in het eerste jaar de hoofd- of spiltak op 80 cm hoogte afgeknipt, of op 20 cm boven de bovenste gesteltak. Ieder jaar zorgt de topscheut voor een verlenging, tot een totale hoogte van maximaal 2,5 m bereikt is. Door telkens op een tegenoverliggend ook terug te snoeien ontwikkelt zich uiteindelijk een min of meer doorlopende spil. Heeft de leivorm de gewenste hoogte bereikt dan wordt de kop telkens teruggezet tot op de laatste gesteltak onder de top. De gesteltakken of zijscheuten worden afgesnoeid op een lengte van 1 m. Bij leivormen als het palmet en de piramide worden de gesteltakken horizontaal aangebonden.

Takken die ontstaan op de onderste 70 cm van de spiltak of stam worden geheel weggehaald. De nieuwe groei op de gesteltakken wordt in de winter telkens ter geleidelijke verlenging teruggesnoeid tot 25 cm, de zijtakken op 3 bladeren of 10 cm. Verder verloopt het snoeien hetzelfde als bij een vrijstaande boom. Bij een snoer wordt de hoofdspil onder een hoek van 45 graden aangebonden. De top van de spil wordt pas weggesnoeid als hij zijn totale lengte bereikt heeft. Er worden geen gesteltakken gevormd. De zijtakken worden in november teruggesnoeid tot 4 knoppen, de secundaire zijtakjes op 3 cm. Dit wordt in de zomer herhaald, waarbij bij de snoei de bladrozetten aan de basis van de zijtakken in ieder geval moeten blijven zitten.

Wanneer een boom moeizaam vruchtlot maakt, kan geprobeerd worden dit door kerven te stimuleren. Half maart wordt dan net voorbij een slapend oog een kerf van 5 mm diep in de tak gemaakt. Het slapende oog zal zich op die manier sneller tot zijscheut en later tot vruchtlot ontwikkelen. Jonge perenbomen kunnen beter niet bemest worden, omdat dit voortijdig afvallen van vruchten tot gevolg kan hebben. Wanneer de bomen ouder dan 6 jaar zijn kan in april een kunstmestgift gegeven worden, wanneer het blad geelgroen verkleurd is. Meestal is bemesting echter niet nodig.

De peren mogen niet aan de boom rijpen: dan worden ze buikrot. Peren zijn plukrijp als ze van donkergroen wat gelig beginnen te worden, en zodra de steeltjes op het punt waar ze de takken raken beginnen te zwellen. Ze worden geplukt met een opwaartse draaiende beweging. Laten ze niet los, dan zijn ze nog niet plukrijp. Na het plukken worden de peren het beste 1 of 2 weken op een koele, donkere plaats, waarna ze op een warmere, donkere plek verder mogen rijpen.

Verjongen

Een oude, verwaarloosde perenboom kan in principe verjongd worden. Maar als de boom ouder is dan een jaar of dertig heeft dit weinig zin meer: hij zal slecht herstellen, vaak al verzwakt en ziektegevoelig zijn en weinig goede vruchten geven. In dat geval kan hij beter vervangen worden.

Het kan zijn dat een verwaarloosde boom te hard gegroeid is doordat de ent onder de grond terecht is gekomen (bijvoorbeeld bij een ophoging) en nu op eigen wortel groeit. In dat geval zal eerst de schors geringd moeten worden. Ook kan de boom door te veel of te weinig snoeien uit vorm geraakt zijn. In dat geval kan door verjonging geprobeerd worden hem zo te fatsoeneren dat hij over enkele jaren misschien weer vrucht gaat dragen. Een oude boom kan het best in februari gesnoeid worden, vlak voordat de groei op gang komt. Wonden groeien dan het snelst dicht, waardoor het risico op infecties het kleinst is. Wonden moeten afgedekt worden met een wondafdekmiddel. Eerst wordt al het dode, gebroken, zieke en kruisende hout weggesnoeid. Verder worden 4 of 5 goede, wat horizontaal afstaande gesteltakken gespaard. De andere takken worden glad bij de stam afgezaagd, zonder stomp. De grotere snoeiwonden worden afgedekt met entwas of wondbalsem. De aan de gesteltakken resterende zijtakken worden zonodig uitgedund en ingekort, en waar nodig worden de vruchtsporen uitgedund. De spoortjes onderaan de takken worden helemaal weggehaald. Het uitdunnen, inkorten van de nieuwe zijscheuten en het dunnen van de spoortjes wordt daarna ieder jaar herhaald: bij zwak groeiende bomen in de winter, bij te sterk groeiende bomen in de zomer.

Naast de verzorging van de boom zelf zal bij de opknapbeurt van de verwaarloosde bomen ook aandacht aan de naast omgeving geschonken moeten worden: concurrerende bomen en heesters in de directe nabijheid verwijderen, de ondergrond onkruidvrij maken en (bij zwakgroeiende bomen) een extra bemesting met een organische meststof: goed verteerde stalmest of (bij zuurdere gronden) compost. Scheefstaande bomen kunnen voorzien worden van 1 of meerder boompalen en –banden, of gestut worden.

Bij een veel te sterk groeiende oudere appel- of perenboom kan, mits hij in goede conditie is, geprobeerd worden de groei te remmen door de schors te ringen. In de eerste helft van juli wordt rond de hele stam van de boom over een breedte van 5 mm met een scherp mes een ring schors (het zachte weefsel) weggesneden tot op het hout. De wondring wordt direct daarna afgetaped met breed plakband. Hierdoor wordt de wond afgeschermd van de lucht, ongedierte en andere infectiebronnen, en kan gelijk het herstel beginnen. Het idee achter het ringen is dat het transport van voedingsstoffen in de boom tijdelijk onderbroken wordt, waardoor de groei afneemt.

Een andere groeiremmende maatregel is het toepassen van wortelsnoei. In een cirkel met een straal van circa 1,5 m rond de stam wordt een greppel gegraven. Dikke wortels die hierin opduiken worden afgezaagd en zo mogelijk verwijderd. De jonge, vlezige wortels mogen blijven zitten. Na het uitvoeren van de wortelsnoei wordt de greppel zo snel mogelijk weer gedicht.

Ziekten en plagen

De stam kan aangetast worden door stambasisrot, de stam en takken door vruchtboomkankers. Daarnaast kunnen schimmelinfecties optreden, en kunnen ze door de perenbladgalmijt en de perenbladvlo bezocht worden. Afgevallen blad en snoeihout moeten daarom altijd direct afgevoerd worden en mogen niet op de composthoop, want daar kunnen ze een bron van (her)infectie vormen.

Het blad van de perenboom kan aangetast worden door de perenbladgalmijt, wat de perenpokziekte veroorzaakt. Het blad vertoont kleine vlekjes, die eerst oranjerood, dan donkerrood en ten slotte zwart verkleuren. Ze worden veroorzaakt door de zuigactiviteiten van de galmijt. Waar de mijten aan blad of stengels gezogen hebben ontstaan verdikkingen, en de bladranden krullen om naar binnen. De mijten worden actief zodra de temperatuur boven de 11 graden Celsius komt. Aangetaste delen moeten weggeknipt en afgevoerd worden. In het voorjaar kan eventueel chemische bestrijding plaatsvinden door (herhaaldelijk) te spuiten met Microsulfo Spuitzwavel van Bayer of vergelijkbare producten.

Een perenboom die veel honingdauw of roetdauw laat zien, kan last hebben van de perenbladvlo. Deze legt vanaf het voorjaar verschillende keren eieren op jonge scheuten. De daaruit komende larven veroorzaken sterke terugloop van de groei. Zolang de larven zich nog niet in de honingdauw verscholen hebben, kunnen ze chemisch bestreden worden met middelen op basis van de werkzame stof pyrethrum, zoals Pyrethrum vloeibaar van fabrikant Bayer of Spruzit (Ecostyle). Helpt dat onvoldoende dan is het middel Decis vloeibaar van fabrikant Bayer verkrijgbaar bij tuincentra. De werkzame stof daarin, deltamethrin, is niet schadelijk voor bijen, maar wel gevaarlijk voor vissen en andere waterorganismen. Oppassen in de buurt van vijvers en andere waterpartijen dus.

Loodglansziekte wordt veroorzaakt door de paarse korstzwam (Chondrosteum purpureum), die zich als wondparasiet in de takken vestigt. Die verkleuren daardoor van binnen bruinpaars. De opperhuid van de bladeren aan deze takken komt los te zitten doordat er lucht onder komt, wat de typische grijsgroene bladverkleuring veroorzaakt. De zwam leeft niet in gezond hout, maar parasiteert wel op dood hout. Snoeihout moet dan ook verwijderd worden. Ook onbehandeld loofhout van boompalen, afrasteringen etc. kan een infectiebron gaan worden. Snoeien net na de oogst of in het voorjaar beperkt de kans op wondinfectie, evenals het afdekken van de wonden met een wondafdekmiddel. Bestrijding heeft alleen zin bij licht aangetaste bomen. Aangetast hout moet met ontsmet gereedschap nauwkeurig weggeknipt en afgevoerd worden. Ook kan een flinke stikstofbemesting helpen om de boom weer in goede conditie te brengen, waardoor hij de besmetting overgroeit. Is de boom zwaar aangetast of heeft de zwam de stam bereikt, dan zal hij gerooid moeten worden. De appel ‘Early Victoria’ en de peren ‘Beurré Hardy’, ‘Conference’, ‘Triomphe de Vienne’ en daarnaast steenvruchten, zoals de pruimen ‘Czar’, ‘Early Laxton’, ‘Jefferson’ en de ‘Reine Claude d’Althan’, ‘Reine Victoria’ en ‘Reine Claude Verte’ zijn gevoelig voor loodglansziekte.