Hagelschot en krullend blad in laurierkers

De haag is aangetast door de schimmel Podosphaera oxyacantha, die familie is van enkele andere Podosphaera-schimmels die vooral op steenvruchtbomen voorkomen (abrikoos, pruim, kers en amandel, ook allemaal leden van de Prunus-familie).

UNDEFINED

Het is een vorm van meeldauw, en wordt in Engelstalige landen Powdery mildew genoemd, poederachtige meeldauw. De sporangiën van de schimmel overwinteren in de knoppen en afgevallen blad onder de boom of struik. Bij warm vochtig weer (vanaf eind april en soms wel tot eind september) verspreidt de schimmel zich via regendruppels, dauw etc. Op jonge scheuten en nieuw blad is dan enige tijd een witte poederachtige aanslag te zien. Daarna ontstaan lichtgroene, later bruin wordende vlekken, en het blad gaat bobbelen of krult zich op, terwijl ook de twijgen misvormd kunnen raken. Chemische bestrijding heeft nagenoeg geen effect. Ook fungiciden als Exact vloeibaar en zelfs Luxan Carbendazim-500 FC (een professioneel bestrijdingsmiddel), die wel tegen gewone meeldauw op fruitbomen gebruikt worden, blijken tegen deze meeldauwsoort niets uit te kunnen richten.

Preventief is er gelukkig ook tegen op te treden. Door al heel vroeg in het seizoen te beginnen met snoeien van de haag kan verspreiding van de schimmel grotendeels voorkomen worden. In plaats van 1 of 2 knipbeurten per jaar zijn er dan 3 nodig. Het afgevallen aangetaste blad en het knipsel van de eerste snoeibeurt moeten verwijderd worden om hernieuwde infectie te voorkomen. Ook het latere snoeiafval kan beter afgevoerd worden. Snoeigereedschap moet goed ontsmet worden.

De eerste knipbeurt wordt uitgevoerd zodra de eerste schimmelwaas waargenomen wordt, of anders eind april/begin mei. De tweede ronde volgt dan eind juni/begin juli, terwijl de haag tenslotte ook eind augustus/begin september nog een keer geknipt wordt. Zodra de schimmel niet meer voortwoekert krijgt de haag de kans om zich te herstellen. In het voorjaar kunt u de haag eventueel wat extra bemesten, zodat zijn weerstand verhoogd wordt. Laurierkers groeit op alle voedzame, niet te natte en te koude gronden, met een voorkeur voor humeuze grond met wat kalk. Een kalihoudende mestsstof bevordert de afharding van de bladeren en jonge twijgen. Daarnaast kan wat compost gegeven worden. Mulchen of het aanbrengen van schors of houtsnippers kan beter achterwege blijven in verband met de overwinteringsmogelijkheden die dat biedt aan de meeldauwschimmels.

Krullend blad

Hagelschot wordt vaak verward met insectenvraat maar is een schimmelinfectie, waar verschillende schimmels verantwoordelijk kunnen zijn zoals Stigmina carpophila, Pseudomonas syringae of Clasteropsporium carpophilum.

Vooral laurierkers (Prunus laurocerasus), (sier)kers, pruim, kwets, perzik en abrikoos zijn er gevoelig voor. Op het blad verschijnen eerst blaren. Als de blaren loslaten ontstaan gaatjes in het blad. Vaak hebben de gaatjes een onregelmatige vorm, en een bruine rand. Net alsof er enkele dagen eerder een schot hagel op is afgevuurd. De bruinverkleuring breidt zich uit en uiteindelijk valt het blad af.

Bestrijding kan gebeuren door vanaf half mei herhaaldelijk, bijvoorbeeld om de 8 tot 10 dagen, te spuiten met een middel dat zwavel bevat. Bij tuincentra zijn op dit gebied onder meer de volgende producten verkrijgbaar: Microsulfo spuitzwavel (fabrikant Bayer), Sulphon (Ecostyle) en Spuitzwavel (Luxan). Ook Finesse Vloeibaar (werkzame stof chloorthalonil) zou tegen de hagelschotziekte werken, en vormt eventueel een alternatief wanneer zwavelhoudende middelen niet voldoende effect geven. Aan het spuitvocht kan wat bitterzout toegevoegd worden om het blad af te harden. Ook het in het vroege voorjaar inkorten van de jonge toppen zou preventief werken (mits het snoeigereedschap ontsmet wordt). Snoeiafval moet dan natuurlijk afgevoerd worden.

De verschijnselen van hagelschot kunnen ook helemaal geen hagelschot zijn, maar een andere oorzaak hebben, zoals een te natte standplaats, te zure grond of magnesium- of stikstofgebrek. In dat geval haalt de bestrijding niets uit, en zijn de planten meer gebaat bij drainage, bekalking of bemesting.