Een andere kijk op planten

Planten zijn heel bijzondere levensvormen. Daar zal vrijwel iedereen het over eens zijn. Maar onze ideeën over planten en de manieren waarop we naar planten kijken en er ermee omgaan, vertonen grote verschillen

UNDEFINED

Die verschillen zijn heel sterk cultureel bepaald, ze veranderen met de tijd, maar ze zeggen weinig of niets over de planten zelf. Planten kunnen zelf niet duidelijk maken wie en wat ze zijn. Het is aan ons om dat te ontdekken en daarin verandert vooral de laatste tijd veel. Daarover gaat dit artikel.

Voor veel mensen zijn planten ‘dingen’

Ze leven – dat ontkent niemand – want ze kunnen groeien, zich voortplanten, ze doen van alles met hun omgeving en wij kunnen ze soms goed gebruiken, maar daar is dan wel zo’n beetje alles mee gezegd. De meeste mensen uit westerse culturen kijken nog steeds tegen planten aan, zoals een eeuw geleden nog tegen dieren werd aangekeken. Dieren werden geacht vanuit hun instincten te leven. Het idee dat een hond zou kunnen denken bijvoorbeeld, werd als belachelijk afgedaan. Stel je voor dat zo’n beest verstand zou hebben. Dan zou hij wel heel menselijk worden. En dat kon niet. Inmiddels weten we wel beter. Een mens is ook maar een (zoog)dier. Natuurlijk zijn er gradatieverschillen tussen mensen en allerlei soorten dieren, maar we delen ongelooflijk veel eigenschappen in meer of mindere mate. Het genoom (DNA) van een chimpansee is volgens sommige onderzoeken 10% groter dan dat van ons. In tal van opzichten zijn andere dieren zelfs veel verder ontwikkeld dan wij. Onze kijk op dieren is inmiddels aanzienlijk veranderd. We kennen dieren zelfs een zeker bestaansrecht toe, een recht op eigenheid. Er komen wereldwijd steeds meer ‘Partijen voor de dieren’ op. De dieren zijn in zekere zin nauwer aan ons verwant geworden. In dieren herkennen we steeds meer van onszelf. Interessant is dat eenzelfde beweging ook ten opzichte van planten gaande is.

De Tuinen van Appeltern

Wat zijn planten dan wel?

Planten zijn zeker geen minder ontwikkelde organismen dan wij. Mogelijk zelfs het tegendeel. Veel planten bezitten een genoom dat soms tot wel tienmaal ingewikkelder is dan het onze. In vergelijking met heel veel planten zijn wij eenvoudige wezens. Dat planten heel anders in elkaar zitten dan dieren en wij dieren beter begrijpen, wil nog niet zeggen dat planten dus mindere wezens zijn. Ze hebben wel een totaal andere functie in het fenomeen dat wij leven noemen.

Zo’n 3,5 miljard jaar geleden verscheen of ontstond het leven op Aarde in de vorm van – zoals nu wordt gedacht– vrij ongedifferentieerde, eencellige, levende organismen. Die hebben zich twee kanten op ontwikkeld: de ene leefde direct van opgeloste mineralen, gassen, water en energie (dat werden plantachtige organismen), de andere van energie, gassen (lucht), water en het kannibaliseren van de eerstgenoemde soort (dat werden de dieren). Aan de planten danken we de gassensamenstelling (met name de verrijking met zuurstof) van de lucht die vrijwel alle levende wezens (planten en dieren) op Aarde in- en uitademen. Planten en dieren zijn twee uitingsvormen van hetzelfde ‘leven’ en ze houden elkaar in stand. Tot op zeer grote hoogte kunnen ze niet meer zonder elkaar. Maar er is één groot verschil: zonder dieren kunnen er wel plantenvormen bestaan, maar een dierenleven zonder planten is onbestaanbaar.

De Tuinen van Appeltern

Planten en dieren stammen dus uit dezelfde basisvorm

Dat betekent dat de uitgangsmogelijkheden voor beide groepen dezelfde waren. De basis van hun eigenschappen is gelijk. Vanuit die basis hebben ze alleen een andere ontwikkeling doorgemaakt, helemaal gericht op hun functie en functioneren in het geheel van het leven op Aarde.

De meeste dieren bewegen zich vrij in hun leefruimte. Ze kunnen zich verplaatsen. Daarvoor is een duidelijk besturingsapparaat nodig. Dat werd het brein. Alle diersoorten hebben zo’n brein: van fruitvliegje tot mens. Ze hebben allemaal iets dat op hersens lijkt. De grootste sauriërs (dinosaurussen) hadden er soms zelfs twee: één in hun kop en nog één – een soort tussenstation – ergens bij hun ruggengraat. Het brein is een orgaan waarin allerlei informatie wordt verwerkt, geanalyseerd en daaruit voortvloeiende actie door het lichaam wordt gecoördineerd. Denk niet dat mensen daarin altijd het beste zijn. Een gewone huisvlieg bijvoorbeeld reageert 100 maal sneller op wat hij of zij ziet dan wij. Die doet dat dus veel efficiënter. En wat voor het zicht van zo’n vlieg geldt, geldt voor bijna alle andere zintuigen die dieren hebben. Er zijn vogels die tot 50 maal scherper zien dan wij. Walvissen kunnen op honderden kilometers afstand via het water met elkaar communiceren. Heel veel insecten ruiken op grote afstand geurstofjes die zo verdund in de lucht aanwezig zijn dat wij ze zelfs in een laboratorium moeilijk kunnen aantonen. Vissen kunnen, behalve geluiden horen, ook drukverschillen voelen in het water met een speciaal orgaan in hun flanken (rijen kleine gaatjes in de schubben), het zijlijnorgaan. Bijen kunnen ultraviolet licht zien.

Veel dieren beschikken over een ongelooflijk oriëntatievermogen. Met behulp van zon, sterren en het elektromagnetische veld van de Aarde, dat veel dieren voelen, kunnen ze feilloos een richting bepalen of een bepaalde plek terugvinden. Zelfs als zo’n plek aan de andere kant van de Aarde ligt. Veel dieren weten precies welke planten ze moeten eten om gezond te blijven of te worden. Een hond gaat ruig gras eten als hij last van zijn ingewanden heeft en dat heeft u of zijn moeder hem niet geleerd.

De Tuinen van Appeltern

En dieren kunnen – net zoals mensen – met elkaar communiceren, gegevens uitwisselen. Zelfs tussen verschillende soorten. Dat communiceren gaat zelfs verder dan wij kunnen, want sommige dieren zijn in staat om feilloos als cellen in een groter lichaam te functioneren. Bijvoorbeeld in een enorme groep vogels die dicht op elkaar vliegen, maar ondanks al hun gezamenlijke bochtenwerk elkaar niet raken. Het is dan één wezen dat daar vliegt. Veel efficiënter dan een peloton exercerende soldaten. Ook vissen kennen dat. Er is voor vrijwel iedere eigenschap van dieren wel een soort die daarin de mens overtreft. Er is zelfs een grote kans dat sommige dieren eigenschappen bezitten waar we nog geen notie van hebben omdat die bij ons totaal ontbreken en we hun bestaan zelfs niet vermoeden.

Daar komt nog iets bij: wij zijn gedomesticeerde wezens en dat zijn de dieren die wij gebruiken en doorfokken ook geworden. Domesticeren betekent altijd dat dieren afstompen. Een wilde wolf is intelligenter dan de slimste hond. Een wild paard zal nooit van jacobskruiskruid eten, een gedomesticeerd paard wel. Die overlijdt op den duur aan het gif dat zich in zijn lichaam ophoopt. Hoewel wij onszelf als de slimste wezens op Aarde beschouwen, weten we niet wat wij in het traject van onze domesticatie zijn kwijtgeraakt. Dat er het een en ander uit onze waarnemingsmogelijkheden is verdwenen, is zeker. Alleen kunnen wij dat voor een deel compenseren met hulpmiddelen die we bedenken en construeren. Daarin blinken we uit, maar ook dat is geen eigenschap die uitsluitend menselijk is. Tal van diersoorten gebruiken ook hulpmiddelen om iets te bereiken of te construeren. Dieren beschikken over bewustzijn. Het begint er steeds meer op te lijken dat planten dat ook hebben. Het is zeker ook waar dat de door ons ‘gedomesticeerde’ planten een deel van hun wilde eigenschappen hebben verloren en er – net zoals onze huis- en erfdieren – ook dommer op zijn geworden. Al klinkt het vreemd om het zo te stellen.

De Tuinen van Appeltern

De hele levende natuur zoekt voortdurend oplossingen voor problemen

De levende natuur is groter dan onze biosfeer, want ook in de ruimte wemelt het van leven dat daar – ondanks alle straling die daar heerst – moeiteloos overleeft. Er is dus wel degelijk buitenaards leven. In de buitenaardse ruimte zijn al heel wat levende bacteriën en dergelijke aangetroffen. Daar gaan we nu niet verder op in. We willen het hier over het Aardse leven hebben. Hierboven is al geprobeerd aan te tonen dat de Natuur eigenschappen in levende wezens heeft weten te creëren die soms ver boven onze menselijk eigenschappen en mogelijkheden uitgaan. Het heeft er alle schijn van dat de Natuur zelf een onbepaald bewustzijn is dat voor ieder probleem oplossingen creëert en uitprobeert. Die oplossingen worden namelijk gericht ontwikkeld met de bedoeling om het totaal aan leven zo goed mogelijk in stand te houden. Als daarvoor verandering nodig is, wordt die uitgevoerd. Dat gebeurt voor en met alles wat in de wilde natuur leeft, dus bij dieren én planten. En de onderlinge samenhang daartussen wordt nooit vergeten. Sterker nog: altijd gestimuleerd.

Toen zich bloeiende zaadplanten ontwikkelden, ontstond tegelijkertijd een enorm complex aan bestuivende diersoorten. Dat was er daarvoor niet. Een ongelooflijk fenomeen dat superintelligente aanpassingen bij planten en dieren heeft opgeleverd! Dat doet dat fenomeen dat wij ‘de Natuur’ noemen. Planten en dieren die gezamenlijk optrekken in het verschijnsel natuur.

De Tuinen van Appeltern

Planten moeten dus ook eigenschappen hebben die met die van dieren vergelijkbaar zijn, maar zich noodzakelijk anders hebben ontwikkeld en nog steeds ontwikkelen. Allerlei onderzoeken en waarnemingen gedurende de laatste 70 jaar maken dat zeer aannemelijk. De kennis daarover zit zelfs in een enorme stroomversnelling. We leren planten steeds beter kennen en begrijpen. Daar zijn uiterst verrassende constateringen bij.

Planten beschikken net zoals dieren over zintuigen

Planten nemen waar en reageren actief in en op van alles in hun omgeving. Ze kunnen met elkaar communiceren. Het lijkt erop dat ze zich zelfs dingen herinneren en kunnen horen en voelen. Er zijn zelfs waarnemingen die erop wijzen dat ze over intuïtie beschikken en zelfs telepathisch kunnen waarnemen. Allemaal eigenschappen die tot voor kort onbestaanbaar werden geacht of zelfs als idee compleet buiten beeld waren. Sommige onderzoeken suggereren dat planten over meer zintuigen – in welke vorm dan ook – beschikken dan mensen.

Zeker is in ieder geval dat planten geen vrij eenvoudige, nogal passief levende organismen zijn. Planten kunnen heel veel en reageren op van alles in hun omgeving. Bijna alle planten leven in gemeenschappen van planten en dieren waarin intensieve onderlinge, zeer complexe contacten plaats hebben. Er zijn ook uitzonderingen: bijvoorbeeld pionierplanten in het begin van hun bestaan op een verder nog levenloos terrein of eenzame bomen die ergens uit een rotsspleet groeien.

De Tuinen van Appeltern

Neem een bos – dat is zo’n plantengemeenschap. In een bos hebben alle planten die daarin leven onderling contact. Het was al jaren bekend dat dat met een uitwisseling van chemische stoffen gebeurde (via grond, lucht en water), maar sinds enkele jaren is ook bekend dat schimmels daarbij een ongelooflijk grote rol spelen. Die vormen in hun mycelium (hun ondergrondse dradennetwerken) een waar ‘telefooncircuit’ waarin niet alleen chemisch, maar ook razendsnel energetisch berichten worden doorgegeven vanuit en naar de wortels van planten.

Planten waarschuwen elkaar zowel chemisch als energetisch voor gevaar. Hun wortels en de schimmels waarmee ze samenwerken lijken (ook) heel sterk op zenuwnetwerken.
‘Moederplanten’ geven de zaailingen die ze willen beschermen, extra voeding via datzelfde netwerk waardoor ze kunnen overleven in hun moeilijke eerste levensfase, terwijl zaailingen die iets mankeren dat niet krijgen. Dat is gerichte actie.

Planten kunnen hun groei reguleren. Ze ontwijken gericht gevaarlijke stoffen in de bodem. Ze sturen hun wortels naar beneden, de grond in en de hun scheuten naar boven. Ze kunnen naar licht toegroeien. Zonnebloemen (een heel veel andere bloemen) richten zich door de dag heen op het zonlicht. Dat volgen ze. Ze draaien hun bloemen mee. Ook bij kunstlichtlampen met bepaalde geschikte frequenties doen ze dat. Planten die in een andere richting dan ze stonden worden verzet of verplant, richten hun bladeren al heel snel weer op het licht Ze kunnen dus in zekere zin zien, maar ze kunnen ook voelen.

Een zonnedauwplant ‘voelt’ het als er een vliegje op een blad landt en sluit dat blad razendsnel om die vlieg te vangen. Ook planten als het kruidje-roer-me-niet reageren direct op aanraking.

De Tuinen van Appeltern

Er is – heel verrassend – ook vastgesteld dat planten planten kunnen ruiken. Als planten worden aangevreten door insecten of op een andere manier schade lijden – dat gebeurt waarschijnlijk ook als een boom wordt omgekapt of een struik wordt gesnoeid – laten die planten dat weten door alarmgeuren vrij te geven. Die stoffen worden door de lucht verspreid en waarschuwen andere planten. Die kunnen dan bijvoorbeeld tegen insecten antistoffen aanmaken. Een beroemd voorbeeld is de vraat aan acaciabomen door giraffen in Afrika. Als er door een giraf aan zo’n boom wordt geknaagd, begint die boom onmiddellijk smerig smakende stoffen aan te maken en laat die als geurstof ook vrij in de lucht. Daar reageren de andere acacia’s in de omgeving op die ook die smaakstoffen gaan aanmaken. Giraffen weten dat en blijven nooit lang op één plek van de bomen eten. Zo gauw ze die smerige smaak beginnen te proeven, gaan ze naar een plek vijf kilometer verderop omdat ze weten dat de bomen daar dan nog niet reageren omdat de alarmerende geurstofjes daar dan nog niet zijn gearriveerd. Ook komt het voor dat planten geen antistoffen gaan aanmaken, maar stoffen die de vijanden van de aantasters lokken. Dat is pure samenwerking in de natuur: een uitgekiend concept.

Nog sterker: planten lijken ook te kunnen horen. Er zijn proeven geweest waarbij in de directe omgeving van planten het geluid van bladvretende rupsen werd afgespeeld. Waarop die planten antistoffen tegen rupsen gingen aanmaken en energetische reacties vertoonden. Tot voor kort werd alles wat planten deden mechanisch of chemisch verklaard. Wie iets anders beweerde – dat er ook een bewuste energetische factor in het plantengedrag te herkennen viel – werd weggehoond. Dat kan nu niet meer. Er is teveel onderzoek dat zonneklaar aantoont dat planten wel is waar chemisch of mechanisch reageren, maar dat dat gebeurt op basis van een bewustzijn van de omgeving.

Dat planten niet alleen mechanisch of chemisch reageren, maar ook fysiek energetisch, is al bekend sinds Cleve Backster in 1968 zijn beroemde proeven met een leugendetector bij planten deed. Planten reageerden op alles in hun omgeving. Een leugendetector reageert op de elektronische veranderingen in een object. Bijvoorbeeld in de huid van een mens, maar ook in het blad van een plant. Planten bleken zelfs te reageren op emotionele verschillen die in hun omgeving optraden. Dus los van direct lichamelijk contact. Dat is telepathie en dat is op zich een onderwerp waar de geleerden het nog lang niet over eens zijn als het om mensen en andere dieren gaat. Laat staan als er wordt beweerd dat planten ook telepatische vermogens vertonen. Toch is er geen andere verklaring voor wat werd vastgesteld.

Dat was precies hetzelfde als wat de Japanse professor Masuru Emoto in water ontdekte. Emoto is de grondlegger van de ontdekking van ‘het geheugen van water’. Water is een sterke energiedrager. Net zoals een radio- of televisiegolf radiogeluid of een televisiebeeld draagt – met dat verschijnsel zijn we vertrouwd –, neemt water ook informatie op en draagt dat mee. Water heeft een energetisch geheugen. Alles wat leeft bestaat voor een deel uit water en deelt dus die eigenschap.

Masuru Emoto
Masuru Emoto

Een groot deel van het onderzoek aan planten is tegenwoordig gericht op de communicatie tussen planten. Het blijkt dat heel veel planten verbonden zijn aan heel veel schimmels. Die ‘symbiose’ wordt steeds vaker aangetoond. Die schimmels worden door de planten voor hun communicatieve diensten beloond met voedingsstoffen en dat gebeurt heel gericht, dus bewust. Maar hoe dat bewustzijn werkt, weten we nog niet. Planten beschikken niet over een aantoonbaar fysiek brein, zoals dieren. Maar uit proeven blijkt dat planten kunnen leren. Als er dingen gebeuren waar ze in eerste instantie duidelijk constateerbaar energetisch op reageren, maar het effect van die gebeurtenis is niet schadelijk voor ze, dan gaan ze bij herhaling van die gebeurtenis steeds minder reageren. De plant ‘leert’ en onthoudt dus op de een of andere manier dat die handeling geen kwaad kan. Dat is buitengewoon opmerkelijk en lijkt te wijzen op bewustzijn. Waar dat dan zit, weten we niet, maar dat weten we ook bij mensen en dieren niet. Want ook in ons brein gebeuren vreemde dingen. Zo blijkt dat als een deel van ons brein afgestorven lijkt – en er wordt aangenomen dat daarin al onze ervaringen worden opgeslagen – dat dat breindeel daarvoor niet essentieel is. Bij hergroei kunnen verloren geachte herinneringen terugkomen. Die herinneringen zaten dus ergens anders. Er is iets anders werkzaam dan een biomechanisch proces alleen. En kennelijk geldt dat voor zowel dieren als planten.

Wat is het effect van deze nieuwe inzichten op onze omgang met planten?

Planten leven voor het overgrote deel in zeer complexe gemeenschappen waarin ze elkaar niet bestrijden, maar juist helpen en evenwicht in het geheel nastreven. Als er omstandigheden veranderen, verandert de hele gemeenschap mee. Er zullen soorten afvallen, maar andere bijkomen. Dat gebeurt als totaal omdat het om het totaal van de leefgemeenschap gaat en niet uitsluitend om individuen. Individuen zullen zich aanpassen zolang het kan, maar geven het leven over aan andere organismen als dat beter is voor de gemeenschap.

De Tuinen van Appeltern

Een tuin die uitsluitend wordt samengesteld uit individuele planten die ‘niets met elkaar hebben’ is in feite een armoedige vertoning. De planten erin zullen elkaar voor een deel bestrijden, ze hebben grote moeite om het natuurlijke netwerk te vormen dat ze nodig hebben en verspillen ongelooflijk veel energie aan handhaving van zichzelf. Dan proberen planten elkaar te verdringen en te verdrukken in plaats van elkaar te helpen, moet er gesnoeid en gehakt worden, geschoffeld en gewied. Wij mensen moeten veel meer in plantengemeenschappen gaan denken en uitzoeken hoe die er ook in onze tuinen uit zouden moeten zien. Het meest verschrikkelijke voorbeeld van een plantonvriendelijke tuin is een wat wel wordt genoemd ‘polletje-polletjetuin’ waarin rond iedere plant de grond wordt opengehouden. Dat is voor planten compleet tegennatuurlijk. Het is een manier van omgaan met planten die stamt uit verouderde kwekersopvattingen die in tuinen werden overgebracht.